Bosmier


  

  

 

   Klasse: Insecta (insekten)
   Orde:  Hymenoptera (vliesvleugeligen) 
   Familie:  Formicidae (mieren)
   Geslacht en soort:  Formica rufa (harige 
   rode bosmier)

 


 

Kenmerken Overwegend rood van kleur met zwart achterlijf. Ze hebben een schub op de steel tussen borststuk en achterlijf.
Biotoop Open bossen en licht beboste heidevelden.
Verspreidingsgebied Centraal en Noord Europa tot ver in Siberië.
Maten en gewicht Werksters tot 1 cm lang, koningin tot 1.4 cm lang, mannetje iets kleiner dan koningin.
Voortplanting In juni of juli
Leefgewoonte Leeft in en bij bosgebied, op of in de grond.
Voedsel Zij zijn alleseters, maar eten vooral veel "luizenmelk" en dierlijk voedsel.


Bosmieren zijn zeer nuttige dieren. Ze verkruimelen niet alleen de bosgrond, maar ruimen ook veel schadelijke dieren op. Een middelgroot bosmierenvolk doodt jaarlijks gemiddeld zo'n 8 miljoen insecten.
Eén bosmierennest kan uit 700.000 werksters bestaan. Het nestmateriaal en voedsel wordt in een kring van 200 meter om het nest verzameld. Bosmieren kunnen nestmateriaal verslepen dat 400 maal zo zwaar is als het diertje zelf.
Mieren kunnen heel goed zien en ruiken. Bosmieren weten de weg te vinden door gebruik te maken van de zonnestand.

Koepelnesten koel en isolerend

De opvallende koepelnesten van bosmieren vind je meestal op een open plaats in het bos of aan de bosrand. Mierennesten liggen op plaatsen, meestal bij een boomstronk, waar ze zoveel mogelijk zonlicht op kunnen vangen. Die gangen staan open bij goed weer en worden afgesloten als de zon langdurig verdwijnt. De bovenste laag van het nest is een isolerende laag en vormt het dak. Zo kan de zonnewarmte dagenlang vastgehouden worden. Bovendien zorgt het dak er ook voor dat vocht en regen niet in het nest komen. De rode bosmier bouwt nesten die bijna twee meter hoog kunnen worden. Het grootste deel van het nest ligt ondergronds. Zo kan een nest een doorsnede van 3 m hebben, waarvan 1,5 m boven gronds ligt. De nesten worden gebouwd van alles wat ze in het bos kunnen vinden, zoals takjes, bladstelen en dennenaalden. Onder de koepel (dak) ligt een grote kuil. Vanuit deze kuil lopen de gangen schuin naar beneden. `s Winters trekken de mieren zich in de gangen terug en overwinteren in groepen met in elke groep 2 of 3 koninginnen. In de zomer wordt het hele nest gebruikt en onderhouden. De uitgangen worden `s nachts met takjes afgesloten en overdag door schilwachten bewaakt. Van en naar het nest zijn duidelijke aan- en afvoerpaden te zien naar de voedselgebieden en ook naar andere nesten.

mierenhoop

                   koningin                               mannetje                             werkster

Sociaal en verzorgend

In het nest houden de werksters zich bezig met het voeden van de koninginnen en de larven. Ze nemen de eieren van de koninginnen over en dragen de larven en de poppen naar dat deel van het nest waar de vochtigheid en temperatuur het meest gunstig is. De poppen zitten in witte ovale cocons, die ongeveer even groot zijn als de volwassen mieren.
Hoewel de koninginnen en mannetjes gevleugeld zijn is er geen bruidsvlucht bij deze mierensoort. De paring vindt meestal plaats in juni of juli buiten op of vlakbij het nest. na de paring raakt de kongin haar vleugels kwijt. Al naar gelang de omstandigheden gaat de jonge koningin eieren leggen bij die van haar moeder en tantes, of ze kan een nieuwe kolonie gaan stichten.

Jagers en veehoeders

De werksters jagen op alles wat kruipt of loopt in de wijde omgeving van het nest. Bosmieren zijn niet alleen jagers, het zijn ook veehoeders. Hun vee bestaat uit bladluizen. De reden waarom die zo geliefd zijn, is honingdauw. Deze zoete uitscheiding is gewoon de ontlasting van de bladluizen, maar ook een voedzame lekkernij voor de mieren. De bladluizen zuigen meestal te veel plantensappen op en dat wordt in de vorm van suikerrijke druppels, ‘honingdauw’ uitgescheiden. Mieren zijn gek op zoet en ‘melken’ de bladluizen graag door met hun voelsprietjes op het achterlijf van de luizen te trommelen. De mieren beschermen de bladluizen met man en macht tegen belagers als sluipwespen en lieveheersbeestjes.

mieren en hun melkvee (bladluizen)

eiwitrijk voedsel

Chemische oorlogsvoering

Mieren hebben bij veel mensen een slechte naam. "Ze kunnen steken". Dit is niet waar, want ze hebben geen angel. Als dit dier zich wil verdedigen, richt het zijn achterlijf op en spuit het wat mierenzuur naar zijn belager. Je kan bij wijze van proef je hand eens vlak boven een koepelnest houden. Alle mieren onder je hand beginnen dan mierenzuur te spuiten. De groene specht lust graag mieren en trekt zich niets aan van deze verdedigingswijze.en kan zo een mierennest behoorlijk vernielen.Wanneer het nodig is kunnen mieren wel bijten met hun stevige en krachtige kaken.