Oorkwal

De bouw van een kwal kan het best worden ge´llustreerd aan de hand van de oorkwal. We vinden deze kwal langs de Amerikaanse en Europese kust van de Atlantische Oceaan. Dit neteldier is overigens ook te vinden in delen van de Oostzee.

De oorkwal heeft een klokvormige lichaam dat maximaal een doorsnede van 40 cm kan bereiken. Het doorzichtige lichaam is bedekt met tere pasteltinten. Aan de onderkant van het lichaam bevinden zich vier roodachtige, verdikte welvingen. Hierin bevinden zich de kiemklieren van de kwal.

Het lichaam bestaat net als bij de neteldieren uit twee huidlagen (endotherm en ectoderm), daartussen zit nog een extra steunlaag. Deze dikke, geleiachtige massa zorgt ervoor dat de kwal er heel anders uitziet dan een poliep.

Aan de rand van het lichaam bevinden zich talrijke vangdraden met ontelbare netelkapsels. Hiermee kan de kwal plankton vangen. Hier omheen liggen de zintuigcellen. Hiermee kunnen ze proeven, licht opvangen en ze kunnen er hun evenwicht mee bewaren.

Aan de onderkant van het lichaam hangt een maagsteel naar beneden. Deze gaat over in vier franjeachtige uitlopers die men mondarmen noemt. Ook zij zijn bedekt met talloze netelkapsels. Binnen in de holle ruimte van het lichaam bevindt zich een maag. Van daaruit leiden verschillende kanaaltjes naar een ringkanaal. Via deze kanaaltjes wordt het voedsel over het hele lichaam verdeeld.

Wanneer de kwal zich wil voortbewegen trekken de randen zich samen. Hierdoor wordt het water uit de holte geperst. De kwal beweegt zich dus door straalaandrijving voort.

Kwallen planten zich voort door middel van in het water bevruchte eitjes die zich ontwikkelen tot larven. Nadat ze enige tijd vrij hebben rond gezwommen hechten de larven zich ergens aan vast en veranderen ze zich in poliepen. Door middel van insnoeringen vormen zich meerdere boven op elkaar gestapelde schijven. Deze laten achter elkaar los en ze zwemmen als jonge kwallen weg.

Deze volgorde (kwal / ei / poliep / kwal) wordt generatiewisseling genoemd.